Getuigenissen

1701

Een verzameling facturen

Terwijl de Brusselse kant in de 18de zijn hoogtij beleeft, staat Rocq Gandussi, Brussels fabrikant van Italiaanse afkomst, aan het hoofd van bloeiende zaak in kant, gelegen "tegenover de Raad van Egmont op de Zavel". Hij had een internationaal cliënteel.

De bundel met factuurafschriften hiernaast maakt gewag van een bestelling van meer dan tweehonderd stuks kantwerk voor prins Karl von Neuberg in Breslau. Hemden, korsetten, hoofdtooi (samengesteld uit ondermuts, slippen en bijpassende stroken) en slaapkapjes voor dames, hemden, dassen, befjes, slaapmutsen voor mannen, stroken van verschillende breedtes voor mannen en vrouwen ter versiering van kleding, lakens, enz. Dat alles, voor een totale prijs van 15 357 florijnen 8 schellingen, werd in zeventien vrachtstukken geleverd van 11 februari tot 25 maart en van 14 oktober tot 9 december 1701.

Boek met kopieën van facturen van de kantfabrikanten R. Gandussi en G. De Vos. 1698-1746, Brussel. Archief van de Stad Brussel, Oud Archief, 3198.

Een verzameling facturen

1741

De delicaatste kant

« Lisle ik kwam naar Brussel, waar de delicaatste kant die het meest gedragen wordt in Engeland wordt gemaakt.»

Lord Chesterfield, 1741

Mutsenslippen, Tweede kwart 18de eeuw, Kloskant met afgeknoopte delen en drochelgrond


De delicaatste kant

1751

Diderot en d'Alembert

KANT
Werkstuk van gouddraad, zilverdraad, zijde of linnen enz. dat op een kussen wordt vervaardigd met een groot aantal klosjes, een op papier getekend of bedacht patroon en twee soorten spelden […].

Eerst dient men zich een kussen aan te schaffen. Het kussen heeft de vorm van een bij de polen afgeplatte bol, de ene diameter zou tien tot twaalf duim bedragen, de andere twaalf tot veertien. Het binnenste bestaat uit katoen, wol of ander materiaal waar een speld makkelijk doorheen kan; het omhulsel is een sterke, strak opgespannen stof die de daarin geprikte spelden recht en stevig kan houden.

Vervolgens dient men een groene fluwelen zelfkant te hebben, zeven tot acht lijnen breder dan het kantwerk dat men wil vervaardigen.

Naalden van messing, de ene klein, de andere forser. De naalden dienen enerzijds voldoende soepel te zijn om enigszins mee te geven bij het bewegen van de klossen en te beletten dat de draad te vaak knapt; en anderzijds stevig genoeg om de draden op de plaats te houden waar men ze hebben wil en om aan de steken de gewenste regelmatige vorm te geven.

Een groot aantal klosjes. Een klos heeft drie onderdelen: het handvat, de hals en de kop; het handvat AB heeft een langgerekte peervorm die de kantwerkster tussen de vingers neemt om de klos van hier naar daar te bewegen; de hals BC is het gedeelte boven het handvat, heeft de vorm en ook de functies van een bobijntje; de kop CD, heeft eveneens de functie en de vorm van een bobijntje maar is in vergelijking met de hals zo kort dat men ze eerder als een groef of inkeping zou beschouwen.

Een patroon. Dat is een soort voorbeeld waarop het te vervaardigen kantwerk wordt vastgemaakt en dat men op het kussen bevestigt om zo het model ononderbroken voor ogen te hebben.

Kleine scharen die verder niets bijzonders hebben.

Hulsjes. Dit zijn buitengewoon dunne stukjes hoorn; ze zijn even hoog als de hals van de klos; de uiteinden worden aan elkaar genaaid, zodat ze precies rond de hals passen en aldus een buisje vormen dat de draad rond het klosje afdekt zodat die niet los kan geraken.

Een kantwerkster heeft geen anderewerktuigen nodig: afhankelijk van de liefde voor haar kunst, bedient zij zichvan meer uitgelezen materialen; haar kussen is dan eleganter, haar klossen zijnfijner, haar scharen mooier. Maar met het kleine aantal werktuigen dat ikzojuist heb beschreven en zoals ik ze heb beschreven, kan men de allermooisteen rijkste kant vervaardigen.


Diderot en d'Alembert

1756

Getuigenissen Calderwood

« Een groot deel van hun werk is het maken van basisstukken van kant. De vervaardiging van kant is zeer merkwaardig: één persoon maakt de bloemen, deze worden elk apart verkocht. De kantarbeidsters werken voor een handelaar die hen het draad voorziet om deze te maken. Daarna, leggen zij de bloemen volgens een patroon om vervolgens gehecht te worden door een andere persoon. Tot slot wordt het werkstuk doorgegeven aan een derde persoon die de bloemen verder verfijnt: dit maakt kant zoveel kostbaarder dan Mecheline, die in één stuk werd vervaardigd. »
 
In een bundel met dagboeken en brieven vertelt mevrouw Calderwood over haar reis van Schotland naar België. Op bezoek in het begijnhof van Brussel geeft ze een beschrijving van kantwerk. 

Margaret Steuart Calderwood, Letters and journals of Mrs Calderwood of Polton, from England, Holland and the Low Countries in 1756

Mutsenbol en bijhorende slippen - rond 1760, Kloskant met afgeknoopte delen en dochelgrond

Getuigenissen Calderwood

1760

Boek van patronen

Niet alleen de kantwerksters spelen een rol in het vervaardigen van een stuk kant. De patroonmaaksters interpreteren het basisontwerp door het te prikken om er een in kantwerk realiseerbaar patroon van te maken. Zo geven zij de kantwerksters aan waar hun spelden moeten komen.
 
De bundel hiernaast was eigendom van Barbara Marquart, begijn en waarschijnlijk patroonmaakster en ervaren kantwerkster. Hij bevat drieënzeventig patronen, gekleefd en genummerd van 541 tot 613; de meeste zijn geprikt. Er staan namen in van vijfenvijftig kantwerksters die bekwaam zijn om kantwerk te vervaardigen, van enkele onder hen is ook een Brussels adres vermeld.  De bundel noemt ook de te gebruiken grond, waaronder drasel (of drochel).

Patroonboek dat heeft toebehoord aan Barbara Marquart, begeyntje. 1760, Archief van de Stad Brussel, Oud Archief, 2619.

Boek van patronen

1878

Patroonverpakking 1878


De kantwerktekeningen zijn het eerste wat de aandacht van de fabrikant vraagt; ze moeten onberispelijk zijn en voortdurend vernieuwd worden. In Brussel deden de kantverkopers met name een beroep op de diensten van ontwerpers wiens reputatie tot buiten onze grenzen reikte.

Hiernaast een patroon van het Huis Van Echel (Brussels kantwerkbedrijf van 1868 tot 1920) voor de versiering van een jurk. Lijnen in blauwe inkt geven de motieven aan die onder verschillende kantwerksters verdeeld moeten worden. Het Huis Van Echel was leverancier van H.M. de koningin der Belgen en van de hoven van Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en Spanje.


Patroontekening van een inzetstuk voor een rok. 1878. Potlood op kalkpapier, 121,5 x 31,5 tot 71 cm. Mode en Kant Museum, D 88.78.01 (Schenking zuster G. Bascour).

Patroonverpakking 1878

1886

Het onderhoud van kantwerk

Werkwijze om gewoon kantwerk te wassen.
Men neemt een perfect cilindrisch gevormde fles, men wikkelt het kantwerk rond het cilindrisch gedeelte van de fles en wanneer dat gebeurd is, bedekt men het kantwerk met een stuk witte mousseline dat men met enkele steken vastmaakt.

Vervolgens giet men in een kookpot zoveel water als nodig is om de fles helemaal in onder te dompelen. (Men kan best een beetje grind in de fles doen om te voorkomen dat ze door het borrelen van het water te veel beweegt.) Men voegt er een stukje huishoudzeep aan toe en een mespuntje soda als het kantwerk heel vuil is. Men zet het water met de in kantwerk gewikkelde fles koud op het vuur en laat het geheel een uur koken.

Is het water vuil geworden, dan ververst men het en herhaalt men deze manier van werken net zo vaak als nodig is opdat het water na afloop schoon zou blijven. Zodra het kantwerk schoon is, spoelt men het meermaals in koud water, zonder het van de fles te halen, om de zeep te verwijderen. Ten slotte wikkelt men het kantwerk van de fles en laat men het drogen.

Vertaald uit: Thérèse de Dillmont, Encyclopédie des ouvrages de dames, 1886

Driehoekige sjaal 1879- 1890

Gekloste applicatiekant op machinale tule, gecombinnerd met naadkanten motieven. 



Het onderhoud van kantwerk

1900

Reclamekaart

In het begin van de 20ste eeuw waren er almaar minder kantwerksters in Brussel. In de 17de eeuw waren ze met ongeveer 10.000, in 1846 nog met 4.000 en in 1900 bleven er amper 200 over.

Reclamekaart van de Koninklijke Kantmanufactuur Vandevelde-Geurs, Sint-Goedeleplein 6 en 7, te Brussel. Rond 1900. Archief van de Stad Brussel.

Reclamekaart

1905

De Brusselse steek

"Vlaanderen had tot dan toe veel meer kloskant dan naaldkant gemaakt, maar begon eveneens Alençon te kopiëren. Te Brussel maakte men naaldsteken met minder reliëf en stevigheid dan die van Alençon maar die, soms, nog fijner waren. België produceerde linnendraad van een onovertroffen fijnheid … Het valt te begrijpen dat men met dergelijke mooie materialen buitengewoon fijn kantwerk moest vervaardigen: het was bewonderenswaardig opengewerkt en zo delicaat afgewerkt dat het een van de triomfen van de Brusselse steek werd."

Vrij vertaald uit: Madame L. de Laprade, Le poinct de France et les centres dentelliers aux XVIIe et XVIIIe siècles, Parijs, Rothschild, 1905

Bruidssluier begin 20set eeuw
Gekloste applicatiekant op machinale tule, met details en enkele bloemen van naaldkant ; 

De Brusselse steek

1923

Kantcursus 1923

Tante Eddy, « Notre cours d’ouvrages de dames. La Dentelle aux fuseaux », Les Dimanches de la femme, supplement Mode du jour, August 19th, 1923, p. 4
 
Kantcursus 1923

Kantcursus 1923

Tante Eddy, « Notre cours d’ouvrages de dames. La Dentelle aux fuseaux. Deuxième leçon », Les Dimanches de la femme, bijlage  Mode du jour, 26 augustus 1923, p. 4
Kantcursus 1923

1953

Louisa en Emma

Op april 1953 trouwde prinses Joséphine-Charlotte van België, de oudste dochter van koning Leopold III, met prins Jean, die toen opvolger van de groothertog van Luxemburg was. Zij droeg bij die gelegenheid een sleep van Brusselse kant. Ook Maria Teresa Mestre Batista zou die sleep dragen toen ze op 10 november 1980 in het huwelijk trad met de toekomstige groothertog Henri.

Op deze foto's, verschenen in Le Soir illustré van maart 1953, zijn kantwerksters Louisa De Jaeger en Emma Vermassen te zien terwijl ze aan de sleep werken. © KIK-IRPA, Bruxelles (www.kikirpa.be)
Louisa en Emma