Enkele kantwerksteken

Onder de benaming Brusselse kant vallen meerdere kanttypes die in Brussel en elders in het land worden vervaardigd.

Drochel – drochelgrond
Gekloste grond met fijne zeshoekige mazen die eerst tussen de motieven werd gebruikt, maar later als basis voor de applicatiekant en dan werd gemaakt in stroken van ongeveer drie centimeter breed die onzichtbaar aan elkaar werden genaaid met een raccrocsteek. De benaming is overgenomen uit het Frans, maar is daar een interpretatie van de Brussels-Brabantse dialectische verbastering van de woorden “draysel(s)” en “drayselgront” die men in 18de-eeuwse Brusselse documenten terugvindt. Deze twee termen zijn verwant met het werkwoord “draaien” en zouden moeten worden uitgevoerd bij het maken van de mazen van de drochelgrond.
 
Point d'Angleterre 
heeft gekloste motieven opgehoogd met reliëfnerven, dradenbundels en sierdraden, en geborduurde 'parels', die het geheel een zeker reliëf verlenen.
 
Duchessekant (vanaf 1850)
Kloskant met grote, gestileerde bloemen en medaillons van naaldkant. De naam verwijst naar de Marie-Henriëtte, die door haar huwelijk met de toekomstige koning Leopold II hertogin van Brabant werd. 
 
Brusselse applicatie op tule (19de eeuw)
Applicatie van bloemen en natuurgetrouwe bladeren met nerven in reliëf op een fijne katoenen tule; de tralie blijft in de applicatie, zichtbaar aan de achterzijde. De beste stukken onderscheiden zich door schaduweffecten, gezichtsbedrog en perspectief. De latere commercialisering van dit kanttype leidde ertoe dat men de tekeningen ging vervaardigen met een mechanisch geweven band. Deze vermeende Brusselse kant in stroken kan niet meer als echte kant worden beschouwd maar is zonder meer een imitatie

Gaaskant of rozenkant (vanaf 1870).
Naaldkant met een zeer lichte gaasgrond bestaande uit rijen aan elkaar gehechte, met een enkele draad gevormde lussen en een rijk bloemendecor dat vaak rozen vertoont.